Plaats van herinnering: Parkweg

DOOR CLAUDE ONVLEE


Je kunt je moeilijk voorstellen hoe Almelo de laatste 50 jaar is veranderd. Toen ik in 1963 voor het eerst van mijn leven in Nederland buiten de Randstad kwam en met de trein naar het industriestadje reed, was er nog een stationsplein waaraan het hotel ‘ Terminus’ stond, waar ik eens met een groep leerlingen naar toe zou vluchten om te ontkomen aan een dronken Twent die een van de aan mij toevertrouwde Erasmianen met een mes bedreigde, waarna veel ouders mij belden om me te prijzen voor mijn moedig vluchtgedrag.

 
Plantsoen bij Esheksweg en Kanaalweg (foto: toenwasalmelonogmooi.nl)


Ik wandelde door de Gorterstraat en de Brugstraat – beide onherkenbaar veranderd - naar het Erasmus, de school waar ik gesolliciteerd had naar een baan als Neerlandicus. Rond het gebouw wemelde het van de barakken, kinderen dromden samen bij de ingang, uit de ramen hingen leerlingen. Ik meldde me bij de conciërge, die mij doorsluisde naar de rector, een wat shabby ogende man. Aan zijn vingers te zien een verstokte roker. Hij droeg een jasje met roos besneeuwde revers die hij met een ongeduldige handbeweging onverwacht ervan af sloeg.
Neerlandici waren schaars in die tijd en ik vermoedde, dat hij mij ook ongezien benoemd zou hebben. Hij liet de verdere contacten over aan zijn conrector, een wereldvreemde classicus, die mij veertien dagen later naar de Ossenkoppelerhoek begeleidde om mij mijn toekomstige woning te tonen, die hij echter niet kon vinden, wat niet zo vreemd was, want die moest nog gebouwd worden. Later bleek er een 5-kamerflat aan de Bernardus Blommersstraat beschikbaar en zo werd ik in 1963 een inwoner van Almelo.

Mijn eerste contact met de Parkweg was enige maanden later, toen mijn vrouw en ik een kennismakingsbezoek brachten aan Jan Bos en zijn vrouw. Bos was gymnastiek docent die na de bevrijding van Almelo op 4 april ‘ tweemaal daags per militaire jeep naar de tuinen van kasteel Twickel werd vervoerd, alwaar zich ( ) het hoofdkwartier van het Eerste Canadese leger bevond ’ om de generaal van deze troepenmacht te masseren, zoals Wim Kuiper in het gedenkboek van het Erasmus – 1874 het geboortejaar van een school - vermeldt. Hij woonde aan de Parkweg 41, een adres dat wij niet konden vinden, omdat dat huis gelegen was aan het verstilde pleintje dat feitelijk een zijstraat van de Parkweg is. Daar het donker was en koud, wisten we niet hoe snel we na de visite thuis moesten komen en zo ontging ons het authentieke van de straat waar Bos woonde.
Enige tijd later maakte ik opnieuw kennis met de Parkweg. Eén van de bewoners van Esheksweg, mevrouw Kaufmann, moeder van een leerling, had mij gevraagd bij haar langs te komen. Ik kon de straat niet vinden – ik had Essexweg verstaan en ik had mij al afgevraagd waarom er in Almelo een straat vernoemd was naar de verraderlijke graaf van Essex, Robert Devereux, die in 1601 wegens verraad van zijn vorstin terecht was gesteld. Het werd een eindeloos gezoek, totdat er bij een slimme inwoner die ik de weg vroeg een lichtje ging branden. En zo kwam ik – veel te laat – op het tweede pleintje dat de Parkweg rijk is, waarvan twee van de vier zijden een andere naam dragen. Toen al viel mij het huis met het karakteristieke puntdak op. De gedachte dat ik daar ooit zou wonen kwam niet eens bij mij op – ik was helemaal niet van plan om in Twente te blijven.
Het huis met het puntdak. Dat had het oorspronkelijk niet. Aanvankelijk was het een twee onder een kap woning, gebouwd in 1926, maar de eerste bewoners, de familie Bomhof, breidden hun deel al spoedig uit. Er kwam een verdieping bij en aan de zijkant een ronde erker met aan de binnenkant karakteristieke hoekkastjes. De nieuwbouw was harmonisch, geheel in stijl met wat er al stond, het metselwerk was origineel.
Het werd in 1973 verkocht en de nieuwe bewoners lieten een binnenhuisarchitect de benedenverdieping aanpassen aan hun wensen. Ze sloegen kordaat de keukenmuur er uit en ontwierpen een open kookgelegenheid – maar toen stokte de operatie. Na een jaar stond het huis weer te koop, omdat de eigenaar naar ergens ver weg werd overgeplaatst. 


Parkweg 4

Wij hadden intussen de flat verruild voor een wat grotere burgerman woning in de Aalderinkshoek, en een ‘ik vertrek’ programma zat er niet meer zo in. Onze financiële positie was na de forse looninjectie van Toxopeus in de zestiger jaren – 20 % erbij in vier jaar – aanzienlijk verbeterd en zo werden wij getriggerd door het bordje TE KOOP in de tuin van Parkweg 4 – inderdaad het huis met het puntdak, gelegen in een mooie oude wijk aaneen idyllisch pleintje. We wisten niets van de buurt. De makelaar sprak van een keurige woonomgeving, prees met een stalen gezicht de kale tuin aan en wees uitvoerig op de rust die het geheel uitstraalde: een paradijs, alleen de naam ontbrak daar nog aan.
Gegoede burgerij en betere kringen bevolkten de straat die in het midden van de twintiger jaren van de vorige eeuw is ontstaan, waarbij vooral veel aandacht was besteed aan het Rosarium, een heuse rozentuin met een keur aan struiken ( 2500 ) en soorten, 1 mei 1923 geschonken door de firma Moerheim uit Dedemsvaart. Toen bevond het zich tegenover het intieme  hofje, waar later de heer Bos zou wonen. Het moet er goed toeven zijn geweest tussen de geurende bloemenpracht, maar al in 1928 moest het wijken voor de herenhuizen tegenover de middenstandswoningen die begin 20er jaren van de vorige eeuw waren verrezen. Ter compensatie werd het huidige rosarium ontworpen en in die tijd spraken burgers er al hun bezorgdheid over uit dat ook plantsoen geen blijvertje zou zijn en werd er gewaarschuwd voor bebouwing rond het park, waarvan de eenheid van boompartijen en rozenperken werd geroemd. Hun vrees werd meer dan bewaarheid. Tegenwoordig is er zelfs in de rozentuin gebouwd en het huidige veldje getuigt ervan hoezeer de sier uit het straatbeeld is verdwenen.
Ook de verdiepte kleine stadstuin waaraan de het huis aan de Parkweg 4 stond verdween. Eerst werd hij geëgaliseerd en van onderhoudsarme begroeiing voorzien en later werd ook die verwijderd. Nu is het een voetbalveldje voor de jeugd. De tuin van die woning werd indertijd aangelegd als een soort verlengstuk van het stadsparkje en een oplettende passant kan zich via het rond het huis kronkelende bordermuurtje nog een beeld vormen van hoe het vroeger was, zij het dat het metselwerk in droeve staat verkeert.
Toch is het aanzicht van de Parkweg niet wezenlijk veranderd. Als je goed kijkt zie je dat de voorgevel van het huis nr. 9 is gewijzigd. Er is een uitbouw aan de achterzijde van nr. 11, de bewoner van nr. 8 heeft een poging gedaan zijn huis te verfraaien door de oude stenen wit te verven, hier en daar zijn de kleine ramen vervangen door grote vensters, maar aan de buitenkant van de huizen zijn geen wezenlijke veranderingen aangebracht. Na de oorlog werd er nog een twee- onder- een - kap woning in de tuin van het huis dat rond 1920 aan de vader van de dichter Bloem toebehoorde gerealiseerd. Daar heeft de fotograaf Lamberts gewoond, die de bevrijding van Almelo zou vastleggen.
In 1960 ontstond er een relletje, doordat de gemeente ongevraagd tot het rooien van de bomen overging, waarover sommige bewoners hadden geklaagd omdat ze het zonlicht te veel buiten hielden, waardoor de straat iets van haar parkachtige charme verloor. De aanleg van parkeerhavens deed aan het straatbeeld ook geen goed, maar als je niet weet hoe het is geweest, valt het niet op.
Zoals ik al schreef: de Parkweg trok voor de oorlog de gegoede middenklasse aan. De bewoners werkten als procuratiehouder, ingenieur, fabrikant en handelsman bij de industrie. De werkers in het onderwijs waren goed vertegenwoordigd, van wie G.B. Pellikaan (leraar Aardrijkskunde aan het Chr. Lyceum – Parkweg 10 )  na de oorlog het tot burgemeester van Vianen zou schoppen.  Na hem betrok Mr Rutgers van der Loef het pand en kocht het hoekhuis ter rechter zijde erbij. Hij was de man die door Jan Cremer met ere wordt genoemd, een erudiete en empathische rechter, een bekende verschijning aan de Parkweg als hij zich met zijn alpinopet op van huis naar zijn werk begaf.

Een aparte vermelding verdient de tragische ondergang van de vier Joodse families die op de Parkweg nr. 35, 37, 51 en 57 woonden. Gevlucht uit Duitsland werden zij in 1943 gedeporteerd en kwamen vrijwel allemaal in Auschwitz om. De familie Liebert die op nr. 51 woonde, werd in Sobibor omgebracht.
Na de oorlog bleef de sociale samenstelling van de bewoners ongewijzigd. Een deel van buurtgenoten maakte jaarlijks met hun gezinnen een wandeling in de omgeving, die door de heer Mulder was uitgezet en dokter Smelt organiseerde bijeenkomsten waarbij de bewoners zich bogen over de wereldproblemen wat o.a. resulteerde in een verzoek aan de gemeente Almelo het onkruid tussen de stoeptegels niet met plantonvriendelijke materie te bewerken. Kennelijk was spuiten weer hervat nadat in 1971 de gemeente chemische bestrijding had gestaakt. De bewoners vonden dat zij zelf het onkruid wel met de hand konden verwijderen. Met Parkweg 4 werd afgesproken dat iedereen een handje zou helpen bij de verwezenlijking van de idealen, omdat bij dat huis veruit het grootste stoepoppervlak hoorde, maar naar mate de jaren voortschreden verminderde het enthousiasme en vervaagde de afspraak. De onkruidverbrander heeft intussen de noodzaak tot ‘wieden’ sterk verminderd.
De buurt was niet zo kinderrijk en de kinderen die er woonden – veelal meisjes - bouwden een hechte vriendschapsband op. Zij speelden toneel en de stukken werden in de huiskamers van de ouders opgevoerd, terwijl de ouders musiceerden, waaraan de familie Schaling een belangrijk aandeel had.
 
Mevrouw Habes is nu nog de enige bewoner van de Parkweg die van dezelfde generatie is als wij. Het aardige is dat na alle veranderingen de sfeer aan de Parkweg nooit veranderd is. Er wordt niet meer gewandeld en toneel- en muziekbijeenkomsten behoren definitief tot het verleden. Maar de buurtgenoten organiseren er nog steeds activiteiten voor kinderen, tijdens de jaarwisseling verzamelt men zich rond een reusachtige kerstboom, het nieuwe jaar wordt ingeluid met prachtig vuurwerk en de rommel wordt de volgende dag keurig opgeruimd. De straat neemt nog steeds de gemeente het werk uit handen.

Een deel van de gegevens voor dit artikel werd verschaft door medewerkers van het gemeente archief van Almelo. Verder raadpleegde ik het historisch archief in de bibliotheek van Almelo. Voor het overige putte ik uit mijn eigen geheugen, een troebele bron voor een historicus.

 

Claude Onvlee kwam net afgestudeerd als jonge Neerlandicus in 1963 naar Almelo om Nederlands te gaan geven aan het Gemeentelijk Gymnasium en de Rijks HBS. In dat monumentale gebouw aan de Sluiskade Noordzijde, nu de OSG Erasmus, maakte hij carrière en werd uiteindelijk rector van de OSG Erasmus.