Plaats van herinnering: Bellavistastraat

Door Jan Willem van der Linden.

Het moet mijn ouders vreemd te moede zijn geweest toen ze, kijkend uit  het venster van de Bellavistastraat, hun jongste zoon van vier op een mooie zondagmiddag in mei 1953 boven in de spoorboom van de Wierdensestraat zagen hangen. De vingers geklemd tussen het opgeklapte rood-witte hekwerk van de boom. Ook ik was verbaasd dat ik daar hing. Had ik in de Paulinkstraat niet zelf gezien dat je de spoorboom van zijn opwaartse beweging kon afhouden door er aan te gaan hangen? Maar op de Wierdensestraat ging dat dus niet. Ik werd op hardhandige wijze geconfronteerd met de automatisering van het spoor die wel was doorgedrongen op de Wierdensestraat, maar nog niet een straat verder waar de handmatige bediening nog vanuit het seinhuis aan de Wierdensestraat geschiedde.
Na een behouden landing en een ijsje van de ijscoman, die zijn ijskraam had tussen ons huis en het spoor, zou ik in de volgende jaren meer tekenen van die modernisering in de vijftiger jaar vanuit het venster van de Bellavistastraat 1 waarnemen. Vanuit de huiskamer op de eerste etage zag je het spoor, het verkeer op de Wierdensestraat en ook de textielfabrieken daarachter met het kenmerkende torentje van Stoomspinnerij Twenthe en kon je veranderingen waarnemen. Ook de ijscoman speelde zijn rol daarin. Het moet in 1954 of 1955 zijn geweest dat hij als moderniteit patat ging verkopen, waarmee zijn seizoensgebonden activiteit met ijsjesverkoop werd uitgebreid en zijn kraam ook ’s winters open bleef. De ijsstaven die dagelijks werden aangevoerd ter koeling van het consumptie-ijs werden in die zelfde tijd vervangen door koelmachines. Maar de aardappels werden nog met de hand tot patat verwerkt. Een jaar later brandde de kraam af met een indrukwekkende vlammenzee door het vet en met een enorme ontploffing van zuurstof- en gasflessen, waardoor er geen ruit meer heel was.

We waren op deze spannende plek in 1952 neergestreken, komend vanuit Oost Groningen en gebracht door Dirk van Haarst Verhuizingen. De steenindustrie  in Twente en de Achterhoek – zo’n achttien steenfabrieken – had een jaar daarvoor besloten de verkoop van zijn product gezamenlijk ter hand te nemen door het oprichten van de Steenhandel Oost Nederland. In de wederopbouwjaren na de oorlog was er een topproductie van de steenfabrieken benodigd om alle bouwactiviteiten van stenen te voorzien. De toenmalige minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting, ir. Herman Witte had ingezet op de bouw van 80.000 woningen per jaar. Tijdens zijn ministerschap steeg de woningbouwproductie van ongeveer 54.600 in 1952 naar ongeveer 89.000 in 1958  . De steenfabrikanten in Twente en de Achterhoek waren zeker niet de grootste spelers in de Nederlandse Steenindustrie, die waren meer te vinden langs de Grote Rivieren Waal en Rijn in de omgeving van Arnhem die meer dan de helft van de metselsteenproductie voor hun rekening namen tegen de ca. 7,5% die in Twente en Achterhoek werd geproduceerd  . De totale metselsteenproductie in Nederland lag in 1954 op ca. 1,4 miljard  en steeg in 1955 tot boven de 1,5 miljard  . Vergelijk dat met de 669 miljoen die in 2012 werden verkocht   en men kan zich voorstellen wat de wederopbouw vergde aan productie en niet te vergeten aan de grondstof: klei!  De stenen uit Twente en de Achterhoek bevatten meer zand dan de grote broers langs Rijn en Waal en werden voornamelijk voor binnenmuren gebruikt.  Een bundeling van de verkoop vergrootte de concurrentiepositie. Gezamenlijk konden de steenfabrikanten uit onze regio vertegenwoordigers in dienst nemen die de stenen bij de architecten en aannemers aan de man moesten brengen. En ook een directeur, mijn vader, die dat spel kon leiden maar ook de belangen van deze steenbakkers in het landelijk circuit kon behartigen. Op het kantoor dat op de begane grond was gehuisd, was de administratieve ondersteuning aanwezig voor verwerking van de orders.

Waarom de Steenhandel Oost Nederland zich in Almelo vestigde is niet helemaal duidelijk. Het lag centraal ten opzichte van de steenfabrieken in Rijssen (met de grootste dichtheid aan steenfabrieken), Ootmarsum, Borne en Hengelo. Maar ten opzichte van de steenfabrieken in de Achterhoek (in Groenlo, Winterswijk, Neede, Etten, Azewijn) was Almelo verder verwijderd dan bijvoorbeeld Enschede. Wellicht heeft burgemeester Ravesloot het hardst getrokken om deze activiteit naar Almelo te halen. Hij was immers de man die na de oorlog een krachtig beleid ontwikkelde om nieuwe bedrijven buiten textiel en confectie naar Almelo te halen. Het was begin jaren vijftig dat hij daarin slaagde en zich veel nieuwe industrie in Almelo vestigde  . De burgemeester had immers een huis met kantoorruimte beschikbaar.
In 1951 had de gemeente al wat panden en gronden rond de toekomstige spoortunnel opgekocht   waaronder het pand Bellavistastraat 1.
 
De Bellavistastraat was een zijstraat van de Wierdensestraat net voor de spoorwegovergang rechts, komend vanuit Wierden. De straat was ca. 100 meter lang  en liep uit op de Paulinkstraat in een bocht naar links. Er stonden aan één kant huizen, aan de andere kant lag braakliggend terrein tot aan het spoor. Ook aan de andere kant van het huis aan de Wierdensestraat lag braakliggend terrein, maar dat was omheind en scheidde ons huis van de BLB worstfabriek van Beijvoets, die daar gevestigd was. Dat terrein was waarschijnlijk ook al verworven door de gemeente, maar nu stond er een reclamebord op  . Aan de andere kant van dat terrein stond  een grote villa met twee erkers dat nog als dansschool dienst deed. De toegang tot de BLB-fabriek was een straat parallel aan de Bellavistastraat tussen deze villa en de sigarenwinkel van F. Schipper, oud-Heraclesspeler, de Eerste Wierdensedwarsstraat. Al deze panden stonden op de grond van de oude villa Bella Vista dat ooit een groot park bezat. Die villa was in de dertiger jaren afgebroken. Bewoners waren onder meer de familie Bavinck ten Cate en mr. G.J. ter Kuile  . Bellavistastraat 1 zal in de dertiger jaren zijn gebouwd.
Achtert ons huis in de Bellavistastraat stond nog een villa, vergane glorie, niet goed onderhouden, bewoond door een familie waarvan de vader regelmatig “op vakantie” was. De overige huizen in de straat waren vrijstaande of 2-onder-1-kapwoningen, waarvan een enkele met twee etages, maar de meesten met een uitbouw (dakkapel) boven de voordeur. In de dertiger jaren nette middenstandswoningen, in de vijftiger jaren al wat vervallen. Het was bekend dat de gemeente de straat of een groot gedeelte ervan wilde afbreken om een viaduct onder het spoor te kunnen bouwen om zo de Wierdensestraat onbelemmerd toegang te geven tot het centrum. Ook bij ons thuis werd vanaf het begin gesproken over de tijdelijkheid van dit adres.

Ik leerde fietsen in de Bellavistastraat. Op een hemelsblauwe doortrapfiets zonder rem, zonder licht en zonder slot. Maar gelukkig ook zonder blokken om de trappers. Sommige kinderen (zoals mijn grote zus) hadden die blokken wel, ze hadden dan een fiets “op de groei” gekregen en ze hadden die hulpstukken nodig om bij de trappers te komen. Teken van 50-er jaren soberheid: niet steeds een nieuwe fiets, maar ook niet fietsen in alle maten .