Plaats van herinnering: Wierdensestraat 100/102

Door J.A. van Vledder


In 1898 kocht Herman Bernardus Aalderink een stuk grond van een braakliggend terrein op de hoek van de Wierdense straat en de Rohofstraat en liet daar een huis bouwen voor zijn grote gezin.

Bovendien liet hij nog vier huizen bouwen aan de Rohofstraat en een huis aan de Wierdense straat. Twee van de huizen aan de Rohofstraat verkocht hij met winst.

Herman Bernardus was de vierde zoon uit een oud Vriezenveens boerengeslacht. Hij werd geboren 28 januari 1859 en ging na de lagere school werken als klerk bij notaris Bruis in Almelo. Hij was een harde werker en zeer spaarzaam. Zijn spaargeld belegde hij in hypotheken en in de loop der jaren klom hij op tot ontvanger/secretaris van het Waterschap De Regge.
Op 25 mei 1883 trouwde hij met Janna Aleida van Buuren, geboren 6 februari 1858 in Wierden. Zij betrokken een woning aan de Bornse straat, maar al gauw verhuisden zij naar een huis aan de Wierdense straat tegenover de openbare lagere school in Ambt Almelo. In 1900 vertrokken zij naar het nieuwgebouwde huis, Wierdense straat 100/102. Het was een groot pand, eigenlijk een dubbel huis met een inpandige verbinding. Het gezin telde acht kinderen, twee jongens en 6 zes meisjes.
Derk, Margaretha, Johannes, Joanna, Hermanna, Janna, Hendrika, en Herna.
Verder nog een ongetrouwde zuster van Janna, Hermanna Berendina, geboren 24 november 1863. Op de foto staat het hele gezin voor het huis. Het meisje op de hoek is Margaretha, mijn moeder toen 16 jaar oud. Zij houdt haar jongste zusje Herna, bijna 2jaar, aan de hand. De foto is genomen in de winter van 1902/1903.
De kinderen gingen naar de gewone openbare lagere school die een veertigtal meters verwijderd was van het huis aan de Wierdense straat. Deze school was nog vrij nieuw en was klaargekomen in 1882. Het eerste hoofd was mijn grootvader van vaders kant, Pieter van Vledder. Hij was geboren 25 juli 1855 in de buurtschap Huinen, gemeente Putten. Bezocht daar de lagere school, werd op zijn 13e jaar benoemd tot kwekeling op een salaris van 25 gulden per jaar.
Zijn eerste betrekking was hulponderwijzer aan de Burgerschool in Barneveld van 1 juni 1873 tot 1 juni 1877, daarna werd hij hulponderwijzer aan de gewone lagere school aan de Winkelsteeg in Ambt Almelo, vertrok na een jaar naar Gouda, en werd onderwijzer aan een lagere school en leraar wiskunde in Gouda. Hij behaalde de hoofdakte en werd in 1882 door de raad van Ambt Almelo benoemd tot hoofd van de nieuwgebouwde school aan de Wierdense straat op een wedde van 700 gulden per jaar plus vrij wonen in het aan de school gebouwde huis. De school had een goede naam en werd voornamelijk bevolkt door boeren- en arbeiderskinderen. Mijn grootvader vertelde mij dat hij van de ouders van de leerlingen regelmatig turf en aardappels kreeg. Hij bleef daar tot september 1910 tot hij op zijn verzoek wegens voortschrijdende doofheid eervol ontslagen werd. Hij vestigde zich daarna in Borne.
Mijn grootvader had voor zijn tijd progressieve ideeën. Hij bewonderde Jan Ligthart, een onderwijshervormer, die aanschouwelijk onderwijs voorstond. Daarbij was hij zeer muzikaal, en hij leerde de kinderen goed zingen. Verschillende keren gaf hij zanguitvoeringen in het openbaar met de kinderen. In december 1896 was er een openbare uitvoering in de concertzaal van de Nieuwe Sociëteit aan de Grote straat ten bate van het weeshuis aan de Wierdense straat en werd op 1 september 1898 bij het planten van de Wilhelminaboom op het marktplein onder zijn leiding door de schoolkinderen een uitvoering gegeven begeleid door het muziekgezelschap Cecilia.
Ook was hij leraar aan de Rijksnormaalschool te Almelo, beheerde een piano-en orgelhandel. Hij was secretaris en medeoprichter van de Vrijmetselaarsloge “Fraternité” te Almelo. In 1923 werd hij Meester van Eer, was lid van het Kapittel “Le profond Silence” te Deventer.
Later, in Borne was hij zeer actief in het openbare leven. Vooral de uitbreiding van onderwijsmogelijkheden had zijn volle aandacht. Richtte een ambachtsschool, een kleuterschool, en een vak-en huishoudschool op, evenals de Bornse Schoolvereniging. Hij was lid en penningmeester van de Gewestelijke Commissie van het ondersteuningsfonds van het N.O.G. en organist bij de Doopsgezinde gemeente te Almelo en Borne.
Hij overleed 17 maart 1944.


Openbare gewone lagere school ambt Almelo aan de Wierdense straat omstreeks 1900

Op 22 maart 1908 overleed Herman Bernardus en bleef mijn grootmoeder achter met haar acht kinderen en zuster. Het pensioen van haar man was niet toereikend en daarom nam ze een kostganger in huis. Haar ongetrouwde zuster verzorgde het huishouden, en zij nam de opvoeding van de kinderen ter hand. Derk was toen 24 jaar, Margaretha 22, Johannes 19, Joanna 15, Hermanna 14, Janna 12, Hendrika 10 en Herna 7. Margaretha, de oudste dochter had verkering gekregen met Pieter Willem, de oudste zoon van Pieter van Vledder. Zij trouwden 17 augustus 1908 en gingen wonen in Borne. Op 26 december 1910 werd hun zoon Pieter Herman geboren. Ik zag het levenslicht 27 maart 1916. Het was het tweede jaar van de eerste wereldoorlog. In Nederland waren de gevolgen goed te voelen. Er was distributie van levensmiddelen, de prijzen ervan waren flink gestegen. Mijn vader, die directeur was van een bijkantoor van de Handelskamer, een groot levensmiddelenbedrijf, werd hoofd van het distributiekantoor in Borne, en had de zorg voor de Belgische vluchtelingen. Bij mijn moeder openbaarden zich verschijnselen van tuberculose en zij moest op doktersadvies kuren. Dat betekende in die tijd veel rusten en zoveel mogelijk in de frisse lucht zijn. Daar het moeilijk werd om mij de verzorging te geven die nodig was werd besloten mij onder te brengen bij mijn grootmoeder in Almelo. Zo kwam ik daar aan het eind van mijn eerste levensjaar en ben daar gebleven tot mijn 13e jaar. Behalve mijn grootmoeder woonden haar zuster Manna, mijn tantes Anna en Herna, mijn oom Johan en een onderwijzeres, die een aparte kamer had, in het huis. Mijn oom Derk was toen al getrouwd, was conciërge van het Kantongerecht, mijn tante Jo was getrouwd met een hoofdmachinist van de spoorwegen en woonde in het andere huisgedeelte. Mijn tante Manna was onderwijzeres en al de deur uit evenals tante Riek die in een galanteriewinkel werkte.
Het was een groot huis en had nog een flinke tuin aan de achterkant die grensde aan de verdere huizen aan de Rohofstraat en afgescheiden was van de Rohofstraat met een schutting. Via een deur in die schutting kwam je door een soort pergola bij de achterdeur die meestal door iedereen gebruikt werd.
Binnenkomend door die achterdeur kwam je in een gang met links een deur naar een grote woonkamer aan de Rohofstraat kant. De kamer had ramen achter en opzij en had via een trapje in de wand verbinding met de aangrenzende slaapkamer. De verlichting was van gas en moest elke avond aangestoken worden. In een hoek bij het raam aan de achterkant stond een grote kachel die met cokes gestookt werd. Recht tegenover de kamer aan de andere kant van de gang, was de keuken, die het domein was van de zuster van mijn grootmoeder. Zij verzorgde de huishouding, kookte het eten op een groot fornuis. Voorbij de keuken maakte de gang een knik naar rechts en na enkele meters weer naar links en liep de gang verder tot aan de voordeur. Links in die gang was eerst de toegang tot de grote slaapkamer. Omdat die een opkamer was moest je eerst een trapje op om er te komen. Links van de slaapkamerdeur was een rechte trap naar de zolder, rechts een deur naar een grote kelder. Aan het eind van de gang was aan de linkerkant de kamer van de onderwijzeres. Voor mij verboden gebied.
Rechts in de gang was eerst een soort alkoof en aan het eind nog een zijkamer die als slaapkamer benut werd.
De zolder was in mijn ogen ontzettend groot. Aan de kant van de Rohofstraat waren twee kleine slaapkamers, en aan de achterzijde ook twee slaapkamers. Verder was de zolder leeg, met een paar donkere hoeken die een grote aantrekkingskracht op mij uitoefenden. Ik kon daar snuffelen in wat er allemaal opgeslagen was. Papieren, dozen met allerlei gereedschap, boeken  e.d. Ik vond daar een schrift met het verslag van een soldaat, Jan Willem Wetering, over de tocht naar Rusland met Napoleon. Hij was een neef van mijn overgrootmoeder Margaretha Jacomina Vos van Avezate.
Aan de voorkant naast het raam was de verbinding met het aanpandige woongedeelte. Via een deur kwam je uit op weer een grote zolder.
Aan de achterkant van het huis was een stenen schuurtje gebouwd net tussen de twee woningen in. Een gedeelte was ingericht als berghok, daarnaast was het toilet. Zo als in die tijd was dat een houten plank met een gat erin en daaronder een tonnetje. Aan de zijkant van het schuurtje was een luik van waaruit het tonnetje verwijderd kon worden en verwisseld kon worden voor een leeg tonnetje wat op regelmatige tijden gebeurde.
Achter in de tuin, op de grens van beide woongedeelten stond een duivenhok waar mijn oom Johan zondags in de weer was wanneer wedstrijdduiven terugkwamen van de locatie waar ze heengebracht waren. Via de tuin kwam je in een achterom pad langs de aangrenzende huizen. Aan de andere zijde van dat pad was een kleine klokkenfabriek van de familie Warmink.
Op mijn vierde jaar ging ik naar de Fröbelschool aan de Poulinkstraat. De eerste dag werd ik er gebracht door een van mijn tantes, daarna liep ik er iedere dag heen samen met een buurmeisje. Verkeer was er nauwelijks en het was niet ver, hooguit een kilometer. Ik moest dan wel de overweg passeren. Wanneer de bomen gesloten waren zat ik te wachten op de trein. Het was altijd een imposant gezicht om vlak voor je ogen een grote zwarte locomotief langzaam voorbij te zien gaan. Langzaam, want of hij was al haast bij het station dat vlak bij was of hij reed er net weg.
Toen ik zes jaar werd ging ik naar de lagere school aan de Dijk naast de HBS aan de Hofstraat. Dit was een opleidingsschool voor het voortgezet onderwijs. Tot en met de zesde klas ben ik in Almelo gebleven, alleen af en toe onderbroken in sommige vakanties wanneer ik enkele weken in Borne doorbracht. Mijn moeder overleed 18 augustus 1925. Mijn vader hertrouwde januari 1926, maar ik bleef bij mijn grootmoeder wonen omdat ik eerst de school moest afmaken. Alleen in de schoolvakanties was ik soms in Borne. Mijn eerste jaren in Almelo speelde ik in en bij het huis met buurkinderen. Tollen, verstoppertje spelen, knikkeren, of over straat draven met een grote hoepel.
 Daarna werd mijn actieradius groter. Waar nu de Willem de Clerckstraat is was een grote roggeakker. Heel aanlokkelijk om met je vriendjes je daarin te verstoppen tot ergernis van boer Rohof die dichtbij zijn boerderij had langs de Aa. Waar nu de Aalderinks hoek is met woningen en straten waren weiden en landerijen met boerderijen en met eiken omzoomde weggetjes. Dat waren zandwegen met soms een fietspad aan de kant. In het najaar raapten we daar eikels die we voor een paar centen verkochten aan de boeren. Op zaterdag ging ik vaak naar mijn oom Derk die een woonruimte had in het Kantongerecht, om te spelen met mijn neefje Herman die enkele jaren ouder was en met mijn nichtje Trijntje die van mijn leeftijd was. Ik vond daar veel boeken en tijdschriften met verhalen over de riddertijd en over ontdekkingsreizen, geschreven door Piet Louwerse, een bekend schoolmeester en kinderboekenschrijver uit Zeeland. Af en toe gingen we schieten met een windbuks die mijn neef pakte uit de inbeslaggenomen voorraad. Alles stond zo voor het grijpen.
Naast en gedeeltelijk onder het kantongerecht stroomde de Almelose Aa, een stinkend riviertje.
In 1925 overstroomde dit een deel van Almelo. Er stonden veel straten blank, huizen kregen veel overlast. Langs de straat naar het station waren vlonders opgezet zodat je met droge voeten  het niet overstroomde deel van de stad kon bereiken.
Hoogtepunten van mijn Almelose tijd waren de huwelijken van vier tantes en mijn oom Johan.
Het huwelijk van hem staat me nog bij. We gingen met de hele familie op een grote Jan Plezier, getrokken door twee paarden, naar de uitspanning Het Jagertje. Een hele belevenis.

Aan de lagere school heb ik goede herinneringen. Wij waren gek op een jong onderwijzer, meester van Deelen, die drie achtereenvolgende jaren met de klas meeging. Hij kon prachtig vertellen, maakte grapjes, voetbalde in de pauzes met de jongens. Jaren later, toen ik zelf hoofd van een school in Hengelo was kwam ik er achter dat hij directeur was van een MULO in Almelo . Ik heb hem toen opgezocht en we hebben heel wat afgepraat.
De school had een indeling zo als in die tijd en nog lang daarna gebruikelijk was. Een lange gang met aan weerszijden de zes lokalen. Hoge ramen, zodat je niet naar buiten kon kijken. Tweepersoons bankjes, met een inktpotje afgesloten met een schuifje. Een gleuf in het blad voor de griffel.   Aan de wanden grote platen met voorstellingen uit de vaderlandse geschiedenis, aardrijkskunde, natuur en boerenleven. Er was veel over te vertellen, en ik heb het altijd betreurd dat in de loop der jaren dit soort aanschouwelijk onderwijs verdwenen is. Voor in de klas stond een hoge katheder waar achter de onderwijzer(es) plaats nam bij het klassikaal lesgeven. In elk lokaal stond een grote kachel, waar in de winter turf gestookt werd. De school aan de Wierdense straat, die in de volksmond “Vledderschool” werd genoemd , had dezelfde indeling.
De kinderen uit de eerste en tweede klas hadden een eigen speelplaats die omheind was met een hek, de oudere kinderen speelden in de pauzes gewoon op de weg voor de school. Er was toch geen verkeer, hooguit een enkele fietser.
Met sommige klasgenoten had ik goede contacten en buiten schooltijd zochten we elkaar altijd op. Soms gingen we samen vissen op stekelbaarsjes en salamanders, of struinden wat rond door de omgeving. Ik herinner me nog Jan de Jong, zoon van notaris de Jong, en Chris Koopman(s), die later een fotohandel had in de Grote straat. Vanuit Hengelo heb ik hem in 1952 nog eens opgezocht. Bennie Tilanus woonde in een grote villa aan de Wierdense straat. Met hem en zijn vader ben ik eens in Vriezenveen geweest, naar de fabriek van Jansen en Tilanus.  Bennie’s vader reed in een Spijker als ik me goed herinner.
Toen ik in de zevende klas kwam ben ik weer in Borne gaan wonen, ging met de trein elke dag naar Almelo. Tussen de middag at ik bij mijn grootmoeder.
Na de lagere school ging ik naar het Christelijk Lyceum aan de Ootmarsense straat. Ik ging daar heen op de fiets, 13 kilometer, ongeacht het weer, ook in de winter. Alleen als het echt stormde ging ik per trein. Ook in die tijd bezocht ik nog regelmatig het huis aan de Wierdense weg. Alleen mijn grootmoeder en haar zuster woonden er nog.
Na twee klassen van het Lyceum volgde ik de onderwijzersopleiding aan de Klokkenberg in Nijmegen. In de vakanties ben ik een enkele keer nog in Almelo geweest. Toen verhuisden mijn vader en stiefmoeder naar Schiedam en ik volgde hen. Mijn onderwijsloopbaan is toen begonnen en de bezoeken aan Almelo waren beperkt. De tweede wereldoorlog brak uit en allerlei contacten waren onmogelijk of zeer moeilijk. 25 mei 1943 overleed mijn grootmoeder. Hoewel treinverkeer toen al zeer ongeregeld was kon ik toch de begrafenis bijwonen. Deze was heel sober. Het Duitse gezag had verordonneerd dat niet meer dan 10 personen aanwezig mochten zijn bij de begrafenis. Voor mij was deze dag het laatste contact met het huis waaraan  ik tot op deze dag nog zoveel goede herinneringen heb. Pas jaren later zag ik de woning terug toen ik Almelo eens bezocht in het kader van mijn werk. Almelo was erg veranderd. De overweg was weg en in plaats daarvan was een tunnel onder de spoorbaan. Op de hoek van de Wierdense straat en de Rohofstraat was nu een bloemenwinkel. Helaas kon ik toen niet stoppen om nog eens binnen een kijkje te nemen. Jaren daarna reed ik nog eens door dat deel van Almelo maar kon niets meer terug vinden van het huis. Alles was afgebroken en het kruispunt was helemaal veranderd.
Zo blijft alleen de herinnering aan een ver verleden over.


Memoires P.W. van Vledder
Geïllustreerde Gids voor Almelo en Omstreken
In en Om Almelo
www.vanvledder.nl

 

 

Jan Albert van Vledder

Geboren 27 maart 1916 te Borne.
Christelijk Lyceum Almelo 1930 -1933.
Onderwijzersopleiding de Klokkenberg Nijmegen 1933-1936. Onderwijzer in Scheveningen, Berkel en Rodenrijs en Apeldoorn 1936-1948.
Hoofd van een lagere school in Heteren en Hengelo 1948-1958.
MO Schoonschrijven, MO pedagogiek te Groningen en Utrecht.
Docent pedagogiek en onderwijskunde Jan van Nassau academie te Utrecht 1958-1981.
Docent onderwijskunde Utrechts Conservatorium te Utrecht 1959-1966. Gepensioneerd 1981, Weduwnaar sinds 1997,5 kinderen (1 dochter en 4 zonen, 11 kleinkinderen en 4 achterkleinkinderen).
Woont in Wijk bij Duurstede.