Plaats van herinnering: ------------ Rutger Jan Schimmelpenninckstraat

Door Marcel Mulders

Mijn vroegste herinneringen zijn verbonden met de straat en het huis op nummer 43 aan de Rutger Jan Schimmelpenninckstraat in Almelo waar ik tot mijn eenentwintigste gewoond heb. Een straat met voornamelijk huizen van hetzelfde ontwerp, 32 in totaal. Zes blokken van vier en vier blokken van twee.  Tussen de huizen plantsoentjes. Wij bewoonden aan het eind van de straat een huis in een blok van twee.

Er woonden onderwijzers, ambtenaren, kantoorklerken, winkel- of afdelingschefs, een grossier en zo voort, middenklasse dus. De eerste bewoners hebben de huizen in eigen beheer gebouwd, naar ontwerp van de bekende Twentse architect Jan Jans en daarvoor in 1930 de woningbouwvereniging “Ons Huis” opgericht.  Voor zover ik weet zijn de huizen in 1934 opgeleverd. De vereniging  is tot 1969 blijven bestaan. In de meeste huizen woonden toen nog de oorspronkelijke bewoners, voor het merendeel gepensioneerd. In 1969 werd de woningbouwvereniging opgeheven en werden de huizen aan de bewoners verkocht voor een paar duizend gulden, een bedrag dat waarschijnlijk gerelateerd was aan de oorspronkelijke bouwkosten.

Tot dan was er uiterlijk weinig veranderd aan de huizen.  Gezamenlijk werden ze onderhouden en kregen ze om de zoveel jaar een verfbeurt. Wel zijn de zware dichte houten deuren met een klein raamluikje op een gegeven moment vervangen door “moderne” deuren met ondoorzichtig gewapend glas. 

Waarom de mensen de huizen in eigen beheer wilden hebben had er, denk ik, mee te maken dat men het financieel  beter had gekregen en niet meer geïnteresseerd  was in het voordeel dat gezamenlijk onderhoud opleverde. Bovendien wilden ze de huizen naar eigen idee verder moderniseren. Intern werden de kamers en suite doorgebroken en de openslaande tuindeuren vervangen door een schuifpui. De mooie driehoekige dertigerjaren erkers met bovenraampjes van glas-in-lood werden vervangen door grote rechthoekige etalages. Ook mijn ouders gingen in de trend mee, maar de vorm van de erker bleef enigszins behouden.

Ik ben van na de oorlog, maar de verhalen over de oorlogstijd zongen nog rond toen ik klein was en ook waren er nog de getuigen: het  huis waaruit een jong joods gezin werd afgevoerd en nooit terugkeerde; het plantsoen waar, zo vertelde mijn vader, de verzetsstrijder gepakt werd nadat hij op de Wierdensestraat gesnapt was met wapens in zijn fietstas; de Duitse helm met kogelgaten die mijn broer had gevonden; de kogelgaten in de schuur; van de strijd tussen Canadezen en Duitsers, Kelly, de hond van de overburen die na de oorlog door Canadese artiesten was achtergelaten.  Die waren daar en ook bij ons ingekwartierd om shows te verzorgen voor hun landgenoten in het nabij gelegen Groenendal. 

In datzelfde Groenendal  werd in september 1948, waarschijnlijk ter gelegenheid van de troonswisseling, een bonte avond gehouden voor en door de straatgenoten.  Heel veel later  kreeg ik er via via een geluidsopname van waarop mijn vader een Frans chanson zingt.


Tot mijn vroegste herinneringen horen de geluiden in de straat, zoals het scherpe, snerpende geluid van het wetten van de zeis als de tuinmannen, een dikke en een dunne in het plantsoentje naast ons bezig waren. En het zoemen van de fietsbanden als de zwerm jongens van de ambachtsschool  door onze straat raceten. Mijn moeder waarschuwde me dan dat ik vooral op de stoep moest blijven. En dan de knallen rond oudjaar van de carbidbussen waarvan de deksels van de ene naar de andere kant van de straat werden geschoten.

Op de straat kon je goed spelen omdat er weinig auto’s stonden en er weinig verkeer door kwam. We konden er jokariën, badmintonnen en voetballen. Op het gladde oppervlak kon je goed rolschaatsen, tot de straat een nieuw dek kreeg met rottige kleine steentjes in het asfalt. Het bood veel weerstand en als je viel waren je knieën en handen kapot. Op het gras van de plantsoentjes  mocht niet gespeeld worden. Op een winterdag hadden de  jongens uit de straat grote sneeuwballen gerold en er in het plantsoen naast ons een mooie iglo van gebouwd. Tot een boze buurman  vond dat dat niet kon omdat het gras er onder te lijden zou hebben. Dezelfde jongens hebben toen, tot mijn spijt, de iglo in een mum van tijd weer gesloopt.  Rond de plantsoentjes werd tikkertje en stand-in-de-bal gespeeld. Ik was nog te klein om mee te doen en stond er meestal bij te kijken. Ik was een nakomertje, niet alleen in het gezin, maar ook in de straat.

Mijn speelkameraadjes vond ik in de omliggende straten. Straten met grotere huizen dan de onze. De Egbert ten Catelaan en de Wierdensestraat,  daar woonden onder andere medici en fabrikanten.  Daar woonden mijn vriendjes. Onze tuin grensde aan de achterkant aan de tuin van ten Cate, de textielfabrikant. Een groot huis met grote tuin die nog tot achter de twee volgende woonblokken doorliep. De hond van de achterburen had een gat gegraven onder het hek door. Daardoor kwamen behalve de hond, de twee jongste kinderen van de achterburen bij ons in de tuin. Zo leerde ik mijn vriendje Erik kennen. Erik vroeg eens aan mijn moeder hoeveel badkamers wij hadden. Met een stalen gezicht antwoordde ze “vijf”. Daar had hij niet van terug. In werkelijkheid hadden we geen badkamer want het hok met de emaillen wasbak en alleen een kraan met koud water kon je moeilijk zo noemen. Ze hadden ook al een wasmachine en ik keek vol verbazing naar de was die ik door het ronde ruitje schuimend zag ronddraaien. Ik kreeg er limonade met echte ijsklontjes.

Toen ik me eens voorbij de hoek van de straat waagde zag ik op de volgende hoek een ander jongetje van mijn leeftijd. Ik liep op hem af, we stelden ons keurig aan elkaar voor en ik vroeg of we vriendjes zouden worden. Dat was Henk. Ik was vier en hij drie.  Ook Henk woonde in een veel groter huis waar personeel in de keuken stond.

Een paar jaar later speelden Henk en Erik allebei in een voetbalelftal van dokters- en fabrikantenzoontjes met mooie pakjes aan, de Almelose Trappers. Dat elftal daagde ons straatelftal uit. Dat was er helemaal nog niet. Het was moeilijk om een heel elftal bij elkaar te krijgen. Tot mijn verbazing vroegen ze mij er bij. Tijdens de wedstrijd hield ik me angstvallig zo ver mogelijk van de bal. En als ik hem voor mijn voeten kreeg wist ik niet hoe snel ik de bal weer weg moest trappen. Of we gewonnen hebben of verloren weet ik niet eens meer. Maar wel dat ik de volgende dag een paar jongens uit de straat vanuit mijn slaapkamer hoorde praten. Ze hadden het over mij en  waren er vol lof over dat ik ieder keer zo mooi vrij stond en zo goed de bal afgaf. Mijn voetbalcarrière eindigde bij de volgende wedstrijd toen ik alleen voor het grote doel grandioos naast schoot.

 


Mijn moeder is bijna tot haar dood eind 2001 in dat huis aan de Schimmelpenninckstraat blijven wonen. Nu wonen er andere mensen. Een tijdje geleden kwam ik er langs en zag tot mijn verrassing dat ze de erker en de voordeur in nagenoeg authentieke stijl hadden gerestaureerd. Als alle bewoners dat zouden doen wordt het weer een mooie straat, het predicaat monument waardig.