In de pers

Overgenomen uit Almelo's Weekblad van dinsdag 4 november 2014

Crisis in textielstad Almelo tijdens de jaren dertig

Door: Jan Bouwhuis
 
De toren van Stoomspinnerij 'Twenthe', waar in 1931 de staking begon

Vanouds staat Almelo bekend als een textielstad. In de negentiende eeuw verrezen tal van fabrieken in en buiten het centrum van de stad. De plekken waar deze fabrieken stonden  zijn nog steeds aan te wijzen: Ten Cate, Palthe, het Indiëterrein, spinnerij Twenthe. Voor een deel vormen ze nog steeds littekens in de stad.

Heel lang was de textielindustrie zowel in Almelo als in heel Twente een bloeiende bedrijfstak. Opgekomen in de negentiende eeuw heeft ze meer dan honderd jaar lang gezorgd voor de bloei an de Twentse steden. De bedrijfstak heeft zowel ups als downs gekend en verkeerde lange perioden in crisis, bijvoorbeeld in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Vooral de Almelose arbeiders hadden veel last van deze crisis. Velen hebben nog herinnering aan de verhalen van hun ouders of grootouders die met veel moeite de crisisjaren door moesten komen.

Al vanaf de jaren twintig heerste er in Almelo grote ontevredenheid. De inkomensverschillen in de stad waren erg groot.
De grote meerderheid van de Almeloërs zat onder het bestaansminimum, terwijl een aantal textielfabrikanten (bijvoorbeeld Ten Cate) per persoon meer dan een miljoen gulden verdenden. Alle arbeiders van dit bedrijf, 2000 man sterk, verdienden sámen nog niet eens een miljoen. In Almelo heerste sterk het gevoel dat dit zeer onrechtvaardig was. In de gemeenteraad werd dit ook besproken: het maatschappelijk stelsel werd 'misdadig' genoemd. Er heerste dus sociale onrust, maar desondanks probeerden de fabrikanten de winstgevendheid van hun fabrieken steeds meer te vergroten, meestal ten koste van de arbeiders.

Zo werd in 1922 een loonsverlaging van maar liefst tien procent afgedwongen. Omdat alle fabrikanten samenwerkten moesten de arbeiders de loonsverlaging wel slikken. Wellicht aangemoedigd door dit succes kwamen de fabrikanten een jaar later opnieuw met een loonsverlaging, opnieuw tien procent. Maar nu waren ze een stap te ver gegaan. Er kwam een grote staking op gang. Toch konden de arbeiders de actie niet volhouden. Na een bemiddelingsactie va de regering moesten ze de actie beëindigen en een loonsverlaging van 7,5 procent toestaan. Het moreel van de bevolking werd er niet beter op.
De socialistische en communistische vakbonden probeerden hiervan gebruik te maken om leden te winnen. Een deel van de arbeiders had hier geen vertrouwen in en werd lid van de protestantse en katholieke vakbonden. Deze confessionele bonden zorgden er vaak voor dat acties van de socialisten geen succes hadden. Zij gaven vaak als eersten toe aan de eisen van de werkgevers en fungeerden als stakingsbrekers.

Onrust
In 1931 kwamen de arbeiders en fabrikanten opnieuw tegenover elkaar te staan. In dat jaar heerste er grote onrust bij stoomspinnerij 'Twenthe'. De arbeiders waren woedend omdat opnieuw een loonsverlaging van 10% werd doorgevoerd. Op 17 november legden de 250 werknemers van deze farbriek het werk neer. Ze waren zo verbitterd dat er met hen niet meer te redeneren viel. De stakers stelden zich erg agressief op en gooiden de ruiten van de fabriekskantoren in. De fabrikanten hanteerden het wapen van de uitsluiting: ook andere fabrieken werden stilgelegd. Vele Almeloërs zaten nu werkloos thuis. Uiteindelijk verloren de arbeiders ook deze keer de strijd en moesten ze met de loonsverlaging genoegen nemen. De staking van '31 was het laatste grote arbeidsconflict in Almeloin de jaren dertig.
Het leek alsof de werkgevers gewonnen hadden. Maar een belangrijk gevolg was dat het imago van de textielindustrie steeds slechter werd. Bij de Almeloër ontstond de gedachte dat alles beter was dan zijn kinderen de textielfabriek in te sturen.