Oorlogsdagboek Willem Boer

Willem Gezienus Boer (1920-2004) was spoorwegman in Vriezenveen.
Hij hield een dagboek bij vanaf september 1944, toen hij moest onderduiken na de Spoorwegstaking.


Willem Boer en Sientje Slot
 

Mijn onderduikerstijd

 

Door Willem Gezienus Boer

 

Zondag 17 september

"Zaterdagavond ging ik met Jan weer de nachtdienst in. Het was een mooie zomernacht. Vliegtuigen gingen bij honderden over. Zondagmorgen kwam ik tegen zes uur thuis en kroop nog even onder de wol. Tegen elf uur werd ik door Sientje gewekt en sprong er mede door het mooie weer dan ook direct uit. 's Middags gingen wij (Tini, Jan, Sientje en ik) een eind wande­len. Het was een mooie zondagmiddag, maar veel oog voor de natuur hadden wij deze middag niet. In de verte dreunde het onop­houdelijk en het geronk was niet uit de lucht. Volgens de laatste berichten was het bevrijdingsleger in het zuiden van ons land binnengetrokken. Toen we tegen de avond weer in de bewoonde wereld kwamen, stonden er overal groepjes mensen langs de straat en werden wij vanuit de verte al toegeroepen. Wij merkten al gauw wat er gaande was. De Nederlandse regering te Londen had doormiddel van de radio bevolen, dat iedere spoorman het werk moest neerleggen en gaan onderduiken om daarmede het vervoer per rail voor de vijand stil te leggen. Thuisgekomen hadden moeder en vader het nieuws al vernomen en zaten rustig de toestand af te wachten en daarna proberen een goed onderdak elders te vinden. Moeder had het eten ondanks alles weer prima voor elkaar en we waren in de beste stemming. 's Avonds laat fietste ik met Sientje 't Oosten in en sliep er die nacht ook."

 

Maandag 18 september

"'s Morgens fietste ik van uit het Oosteinde door het ontwa­kend dorp naar huis. Het beloofde een mooie dag te worden, tenminste wat het weer betrof. Thuis was iedereen al bezig. Voorbereidingen werden getroffen om met zijn allen onder te duiken. Van bange zenuwachtigheid was geen sprake. Het zou geen twee weken duren dan waren wij weer thuis. De bevrijders waren Arnhem reeds binnengetrokken, zodat wij ook zo aan de beurt zouden zijn. Onze gedachten gingen op het ogenblik uit naar Harm, die in Arnhem zat. Misschien was hij al bevrijd. Gezie­nus, specialist in het sigarenmaken vertoonde zijn kunsten aan een paar kameraden. Nog voor het eten liet ik bij Klaas Drent een paar kilo tabaksbladeren bereiden, daar was ik straks de eerste tijd mooi klaar mee. Na het eten, dat weer prima was en waarbij de roggepap niet ontbrak, begon er tekening in de situatie te komen. Moeder en Tiny kregen onderdak op de Haar, een buurvrouw had daar voor gezorgd. Gezienus zou bij Roosien blijven. Vader ging voorlopig naar Jan Habing te Geesteren en zou vandaar wel verder zien. Waar Jan terecht zou komen, was nog niet bekend, maar die zou zich zelf wel redden.

 

Iemand van de ondergrondse had voor mij een plek ook ergens in Geesteren. Ik zou met vader contact zoeken, zo gauw ik op de plaats van bestemming was. Vol goede moed namen wij 's avonds afscheid en gingen ieder hun eigen weg. In 't Oosteinde moest ik nog even afscheid nemen van Sientje. Ze was niet thuis, maar op het aardappelland kon ik haar vinden. Sientje was glad overstuur dat ik er tussenuit moest. Ik kon haar nog niet precies ver­tellen waar ik terecht kwam omdat ik het zelf nog niet wist. Hoe graag ik ook wou, langer kon ik daar niet blijven. Ik zat dan ook spoedig weer op mijn fiets.  Bij de Schipsloot werd ik opgewacht, waarna we gezamenlijk verder reden. Ongeveer twee kilometer voorbij de Kooiplas ging het plotseling links af. Nog een kleine kilometer over het fietspad met aan onze rech­terkant de nog bloeiende heide en we waren op de plaats van bestemming. Mijn eerste indruk was, dat ik het hier niet kwaad zou hebben. Een gulle boerin, opgewekte boer en vijf vrolijke luidruchtige kinderen. Ik voelde mij er direct thuis en nog geen half uur later aten we gezamenlijk uit een enorme koeke­pan. Na het eten wachtte me nog een verrassing. Midden in deze schone wereld vond ik mijn kameraad terug die een week of vier geleden spoorloos was verdwenen. De vreugde was groot. In een oude eikenwal bij de stervende zon hadden wij een hoop te bepraten."

 

Dinsdag 26 september

"Ruim een week ben ik nu hier en al die tijd heb ik mijn kleren niet uitgehad, d.w.z. ook mijn bovenkleren niet. Mijn plan was, zo gauw we weer thuis waren, me eens lekker op te knappen en meteen te verschonen. Maar morgenavond zal ik me toch maar eens wassen.  Het duurt langer dan we gedacht hadden. Van Sientje nog steeds niets gehoord. Ik wou er zo graag even naar toe. Ze is zo dicht bij en eigenlijk toch nog ver weg. Van hieruit kan ik duidelijk de bebossing rond 't Oosteinde waarnemen. Voorlopig maar rustig afwachten, goed uit de ogen kijken en anders niets. Je beseft nu pas goed wat het normale leven je waard is."

 

Donderdag 28 september

"De dorsmachine klinkt in de boerschap. De boeren helpen elkaar met het dorsen van het koren en wij zijn er automatisch bij ingeschakeld en doen het werk met een bravour of we nooit anders gedaan hebben. Blauwe overall, gele klompen, rooie zakdoek om de nek. Zo stappen wij tussen al die Gaiten, Heins en Janssen in en worden als hun gelijken behandeld. Wij gaan van het ene erf naar het andere en overal is het koffie en brood met spek. ('t Is hier nog niet zo gek.) Vandaag was Catenjan aan de beurt. We waren 's middags nog maar net aan de gang, toen er bericht van "'t daarp" kwam dat de Duitse poli­tie in aantocht was om naar onderduikers te zoeken. Het werk werd onmiddellijk gestaakt en ieder die zich niet vertrouwde, kneep er tussenuit. Wim Holtman en ik zochten ook een goede plek en waren hier wel zo bekend, dat wij die dan ook spoedig vonden. Mooi beschut tussen de braamstruiken lagen wij een paar uurtjes onder een heerlijke herfstzonnetje de ene eigen­bouw na de andere te roken, gedraaid in een stukje wit pakpa­pier. Eindelijk kwamen ze ons halen. Ze hadden ons al een hele poos gezocht en of we nog niet van plan waren om weer aan het werk te gaan. De moffen waren er niet geweest en zouden van­daag wel niet meer komen."

 

Dinsdag 10 october

"'s Middags komt Willem Holtman plotseling binnenvallen. Buiten adem vertelt hij dat we weg moeten. Er wordt naar onderduikers gezcht. Op de motor snorren ze over het fietspad langs de zandweg. Wij er van door, goed zorgdragend dat ze ons niet in de gaten kregen. Achter een oud walletje onder een grote braamstruik zaten wij verstopt. Toen de eerste zenuwen weer wat waren gezakt, steeg al gauw de grijsblauwe rook van een "eigenbouw" de stille herfstlucht in. Na een half uurtje was alles reeds weer veilig."

 

Zaterdag 11 november

"In Almelo en omstreken wordt razzia gehouden. Een hoop mensen ontvluchten de stad. Er komen ook enkelen in onze buurt en twee vinden bij Herman onderdak. Nat bezweet zetten ze hun fietsen met massieve banden op de deel. 's Avonds in de sche­mering gaan ze naar de Pollen, waar ze voorlopig zullen blij­ven."

 

Zondag 12 november

"De gehele dag regen, we komen dan ook niet achter de kachel weg. Buiten is het een kleffe boel, druilerig valt de regen uit de grauwe lucht. De wegen met hun karresporen zijn een en al modder en onbegaanbaar. Bijna overal is het blad al van de bomen, alleen de eiken houden hun verdord blad hardnekkig vast. Een beetje droevig te moede, zien wij dit alles door de beslagen ruiten aan. Zulk miezerig weer legt overal een domper op. Het is deze avond vroeg donker. 's Nachts is er weer een kleine opwinding. Om half twee kwam de boer op het hooi en maakte me wakker. Ik moest er direct uit. Er zou razzia gehou­den worden. De Moffen waren al op komst. Bij Kreuwel kon ik wel terecht, buiten stonden me al een paar kameraden op te wachten. Er gebeurde die nacht verder niets en bij het krieken van de dag, gingen wij allemaal naar onze eigen haardsteden terug."

 

Vrijdag 17 november

"'s Middags komt vader zijn wekelijks bezoek afleggen. Hij was nu ook weer op de fiets. De fietsvorderingen door de Moffen is een stuk geluwd. Ze hebben er schijnbaar voorlopig genoeg. Vader is nog maar goed en wel weg of Harm komt van de andere kant binnen. Hij gaat nog zo'n beetje vrijuit en heeft de straatweg genomen. Harm weet altijd wel wat omtrent landwach­ters en Duitsers en we worden geregeld op de hoogte gehouden. Ook onze persoonsbewijzen, waar trots het beroep van landbou­wer op staat, hebben wij aan hem te danken. Op klaarlichte dag werden ze ons op het gemeentehuis te Tubbergen verstrekt. Het geeft een betrekkelijk veilig gevoel en op het eerste moment ben je er mee klaar."

 

Zaterdag 9 december

"'s Morgens ga ik naar moeder, die op het ogenblik in Geeste­ren vertoeft bij Jan Habing. De reis naar Vriezenveen is moeder niet best bevallen. Veel te veel gefietst in het sme­rigste weer. En dan komt er nog bij, dat er die bewuste dag net razzia op Vriezenveen werd gehouden. Gezienus is die dag met zijn maat naar Vroomshoop gevlucht. Alles bij elkaar was dit dus geen snoepreisje voor moeder, die toch al niet te sterk is. Maar bij Habing is ze in goede handen en we zullen hopen dat ze spoedig weer mag opknappen."

 

Vrijdag 15 december

"'s Morgens wordt er tamelijk dicht bij ons in de buurt aan de straatweg naar Geesteren door de landwacht een jongen doodge­schoten. De schoten kraakten door de stille wintermorgen. Voor deze dag was de lol er wel weer af. Ook in Tubbergen was de landwacht die dag aan het stropen. Vader zag evenwel niet van zijn wekelijks bezoek af en kwam 's middags nog even opdagen. Ook Sientje kwam er nog even door met wat schoon goed voor mij. Op Vriezenveen is het die dag ook niet rustig geweest."

Dinsdag 19 december

"Met de oorlog gaat het de verkeerde kant op. De Engelsen en Amerikanen zijn in Belgie een heel eind teruggedrongen in een groot offensief dat nog steeds voortduurt. 't Zal ons benieuwen hoe dat afloopt, we houden de moed er in, maar helemaal rustig voel ik mij toch niet. De moffen zijn tot grote dingen in staat. Het leven gaat door, de mensen praten elkaar moed in en vertellen elkaar de laatste mop over Hitler".

 

Zaterdag 30 december

"'s Middags komt Gezienus weer op doorreis naar Tubbergen. Hij zal daar een week logeren en gaat na de bruiloft van Riek en Harm weer terug. Tegen de avond moeten wij ons hals over kop nog verstoppen. Een stelletje landwachters met hun jachtgewe­ren maken de buurt onveilig. Hier en daar gaan ze een boerde­rij binnen, maar het is hun hoofdzakelijk om spek en eieren te doen. Van achter een heg in de schemerige avond kan ik mooi volgen en spoedig zijn ze verdwenen en is alles weer rustig.

 

Woensdag 3 januari

"Een troosteloze mistige dag net als gisteren. 's Morgens tegen een uur of tien komt plotseling Herman binnenstormen met de boodschap dat ik er gauw tussenuit moet, er komen vier Duitsers aan. Ze zijn al op zij van het huis. Ik was druk met de grup bezig aan de andere kant van het huis en had zodoende niets gemerkt. Mijn bedoeling was om zo gauw mogelijk weg te komen binnendoor bij Catenjan over het land om dan meteen de chef ook te waarschuwen. Maar het was al te laat, op het erf vlak voor de wagenschuur werd me vanuit de mist opeens toege­snauwd: "Ausweis". Ik schrok me dood en voelde het bloed uit me wegtrekken. Later vertelde Dina, die ook spoedig buiten was, dat ik zo wit als krijt was en beefde als een rietje. Minutenlang keken de sloebers op mijn vals persoonsbewijs en in gedachten hoorde ik mijn vonnis geveld. Eindelijk zeiden ze dat de zaak in orde was en ik voelde mij honderd pond lichter. Na de zaak in huis en de schuur op de kop te hebben gezet verdwenen ze weer. De chef was in die bedrijvigheid gewaar­schuwd door een boer die toevallig langsfietste. De gehele dag voelde ik mij verder niet rustig en loerde geregeld door de ramen naar buiten. 's Avonds voelde ik het nog in mijn knieen toen ik langs het schot omhoog klauterde en in mijn hooinestje kroop."

Maandag 12 februari

"Het is er van gekomen. Vriezenveen heeft zijn razzia. Honder­den soldaten hebben het dorp afgezet, voorzover dat in Vrie­zenveen mogelijk is. Verscheidene mannen en jongens zijn al opgepakt. Het schijnt niet zo erg te zijn als in de grote steden. Ze worden opgepakt om in de nabijheid aan het werk gezet te worden. 's Middags komt tot mijn grote verbazing Gezienus aanfietsen. Hij is uit het dorp kunnen ontsnappen en langs een grote omweg hiergekomen via Aadorp. Onderweg heeft hij nog in een sloot gelegen om aan de spiedende blikken van soldaten te ontkomen. Na op verhaal te zijn gekomen, is hij doorgefietst naar Tubbergen, om bij Riek en Harm een paar dagen te wachten tot de rust is weergekeerd."

 

Dinsdag 13 februari

"'s Middags, we waren nog aan het eten, kwamen plotseling de chef en Rinus binnenvallen. Buiten adem vertelde de Ouwe, dat de Duitse politie in aantocht was en alle huizen in de buurt afstroopte naar onderduikers. Wij op onze karretjes met een stel rotbanden er vandoor. Dwars door weilanden en langs binnenpaadjes ging het naar de andere kant van Geesteren, waar we de middag bij vader doorbrachten. Vader was juist bezig met het snoeien van de bomen langs de Molenbeek en stond raar te kijken toen we daar zo plotseling met z'n drieen voor hem stonden. In de vallende schemering gingen we 's avonds weer terug naarde "West", waar ze al naar ons stonden uit te kij­ken, daar ze niet wisten waar we waren."

 

Woensdag 24 februari

"Een stralende dag met een heldere blauwe hemel en geen zucht­je wind. De hele dag zit de lucht vol vliegtuigen. Grote zwermen zware bommenwerpers trekken naar het oosten. Jacht­vliegtuigen maken de hele buurt onveilig door te schieten op alles wat zich op de weg beweegt. Het gevaar van razzia's is voorlopig geweken te Vriezenveen. Er hebben zich voldoende mensen gemeld, die nu aan stellingen in en om Vriezenveen te werk zijn gesteld. Het is nog maar zuinig donker, als ik in het Oosteinde aankom, om samen met Sientje naar onze straat te gaan. Vader was al aanwezig en zat in zijn grote stoel op zijn oude plaats. Moeder houdt zich kranig en heeft de zaak mooi voor elkaar met al die kostgangers."

 

Woensdag 28 maart

"De berichten zijn prima. Het bevrijdingsleger rommelt reeds in Gelderland dat de stukken er af vliegen. Winterswijk, Ruurlo, Doetinchem en Lochem zijn volgens de Engelse radio al vrij. Ik kan het allemaal niet verwerken en leef gedeeltelijk als in een droom. Van werken is geen sprake meer, we hangen de hele dag in groepjes bij elkaar en bepraten de toestand of kijken naar het geknetter en gedonder in de lucht van de alles overheersende Amerikaanse jagers. Het is een fantastisch gezicht als die heren in een duikvlucht een of andere prooi te grazen nemen. Volgens geruchten wordt het langs de wegen wat gevaarlijker door terugtrekkende groepjes moffen, die alles vorderen wat los en vast zit."

 

Donderdag 29 maart

"Hetzelfde beeld als gisteren. De goeie berichten blijven doorstromen. Herman hangt de hele dag aan de radio, die van onder het hooi voorgoed te voorschijn is gekomen en op het hardst staat te brullen. Ook na de berichten wordt de radio niet meer opgeborgen. Iedereen wordt overmoedig. 's Middags wordt een poging gedaan om te werken, maar er komt niet veel van terecht. We zijn blijk als Dina ons voor het avondeten roept. De Kreuwelsvente komen deze avond op bezoek, maar er wordt niet veel gekaart. De laatste berichten worden flink aangespekt ter tafel gebracht. Het is al heel laat als ik op mijn gevoel in het donker mijn slaapplaats in de schuur op­zoek. Opeens weet ik het, mijn laatste nacht op de "West" ga ik in. Van slapen komt niet veel terecht. Met blijdschap denk ik aan wat komen gaat en met weemoed aan dat wat achter mij ligt. Onwillekeurig komt bij mij op , ik zou hier wel altijd willen blijven, maar dat is maar even.... Buiten de schuur klaagt een uil. Een heel eind in de verte, in het zuiden, rommelt het bevrijdingsleger."

 

Vrijdag 30 maart

"Na een slapeloze nacht sta ik deze morgen vroeg op. Bij de koffie vertel ik van mijn voornemen om vanavond naar huis te gaan. Niet voor een weekeind, zoals de laatste keren al meer gebeurde, maar voor goed. Het einde van de oorlog en daarmee ons onderduikersleven is in zicht. Even is het stil in de zo vertrouwde keuken en hoor je niets anders dan het nijdig tikken van de oude wekker. Op de deel rammelt een koe aan haar ketting. 't Is vreemd, naar deze dag hebben we toch zo ver­langd en nu het zover is, is er van uitbundige vreugde geen sprake. Vandaag wordt er ook weer weinig aan het werk gedaan en veel gauwer dan mij lief is, verdwijnt de zon in het westen en zit ik voor het laatst met mijn vrienden mijn portie uit de gemeenschappelijke koekepan te pikken. Na het eten kan ik er haastniet toe komen afscheid te nemen. Ik ga weer naar huis en dat is fijn, maar toch weegt het afscheid mij zwaar. Ik loop nog eens om de boerderij, door de stallen en de schuur met de zo vertrouwde geur van hooi, stro en mest en ga nog een eind het veld in. Deze periode hier doorgebracht, is een stuk van mijn leven geworden waar ik moeilijk afstand van kan doen. Nooit zal ik dit vergeten, en veel, heel veel zal ik hier terugkomen.... Even later fiets ik over het smalle pad naar de grote weg, mijn koffer achter op de fiets net als voor zeven maanden terug op die stralende septemberdag. Vanuit het Oost­einde ga ik samen met Sientje naar mijn huis, waar we iedereen in gezondheid aantreffen."

 

Zaterdag 31 maart

"Voorgoed weer thuis, maar opletten is nog steeds de boodschap. De gekste geruchten doen de ronde. Oom Inge, die de hele buurt afstroopt, doet nog wel eens wat op en komt met allerlei gegevens thuis. Oom Inge weet een hoop, hij geeft ons allerlei op  en aanmerkingen en vertelt ons precies hoe we in deze tijd moeten handelen. Wij doen dan precies het tegenovergestelde en varen el wel bij. Vader is ook al enige tijd weer thuis en vermaakt zich met het maken van takkebossen ergens aan de spoorlijn bij de fabriek. Moeder is de hele dag druk om het eten zo goed mogelijk voor elkander te boksen en dat is een hele toer. Er is van alles nog wel te krijgen hier, maar het is onnoemlijk duur. Aardappelen, wortels, bonen en roggepap vormen de hoofdschotel. Ik heb hier wel niet zo veel vrijheid als in West Geesteren, maar alleen het feit thuis te zijn, maakt alles goed. Alleen 's avonds komen we met z'n allen even naar buiten en staan met een stel kameraden bij de brug te zwetsen."

 

Zondag 1 april

"Een heel huis vol volk. Wij met elkaar en de Hagenaars en voor de gezelligheid Jan en Sientje. We zijn al gedeeltelijk in feeststemming. De bevrijding van Gelderland en een gedeelte van Overijssel is al een feit. Geruchten gaan, dat Canadezen al in Hengelo en Borne zijn. Het is een lust om nu allerhande groepjes moffen langs de straat te zien terugtrekken. Haveloos en ongeschoren. De lucht zit vol duikende vliegtuigen . 's Middags is er sensatie als een groepje Duitse soldaten bij ons in de straat een afweergeschut in stelling brengt. We zwerven de hele dag in de buurt rond, alsof er geen kou aan de lucht is. NSB-ers en landwachters zijn spoorloos verdwenen. Heel laat komen we deze nacht in bed. Oom Inge heeft volop prima geurende eigenbouw tabak, maar is er niet erg royaal mee. Vlak voor we slapen gaan, slaan we echter onze slag met steun van Tiny en Sientje."

 

Woensdag 4 april

"Een paar spannende dagen achter de rug. Er komen hoe langer hoe meer onderduikers op de proppen. In huis gaat het er vrolijk langs, Tiny en Sientje zingen een duister liedje, maar het heeft toch wel een zekere bedoeling.

 

Ellendeling, ellendeling voor jou is hier geen plaats

Ga jij maar naar de hel toe, die is hier naast.

 

De waanzinnigste berichten slingeren de moffen nu nog de radio uit, maar die horen we niet. Wat wij wel horen, dat zijn de knetterende jagers in de lucht en de bevrijdingskanonnen, maar nu.... heel dichtbij. Je wilt van alles doen, zo'n dag, maar er komt nergens wat van terecht. De emotie's zijn te machtig. 's Avonds staan we met zijn allen achter het huis en zien de beschieting van Wierden, waar volgens geruchten nog een sterke Duitse troepenmacht gelegerd is."

 

Donderdag 5 april

"Van slapen is voorbijgaande nacht niet veel terecht gekomen. Gezienus heeft weer een paar beste steenpuisten. Roerloos lig ik naast hem. Iedereen is naar bed en toch is het huis vol van geluiden. Oom Inge snurkt nog steeds goed en ergens kraakt een ledikant. Vliegtuigen in de lucht. Gepraat en geschuivel op straat. Gedonder in de verte. Ellendeling, ellendeling.... 't Is of ik steeds die regel hoor. Tergend langzaam breekt de dag aan. Het broodeten is nog maar goed en wel aan de kant, als ze ons komen vertellen: “Almelo is bevrijd, soldaten op weg naar Vriezenveen.” Nergens wordt gewerkt. Overal staan groepjes mensen bij elkaar. Het is donker weer en het dreigt naar regen. Bij de brug groepen wij samen. De laatste Duitse solda­ten vluchten haveloos en zonder munitie het noorden in. De brug over het kanaal is weer opgeblazen, maar over de wrak­stukken bereiken we de overkant.... Lang hoeven we niet te wachten, al spoedig komt er iemand het dorp uitfietsen en schreeuwt van verre: "Tanks met Canadezen op Het Midden." De vreugde is groot, ook Vriezenveen is bevrijd, voor zover je in dit geval van een bevrijding kunt spreken. Immers daar is geen soldaat of burger gesneuveld. Alles is zonder slag of stoot genomen. Nog geen tien minuten later staat er ook een tank bij de brug, omringd door een dansende en schreeuwende massa."

 

"Wij zijn vrij."