door Peter van der Molen
Het is dit jaar precies 500 jaar geleden dat Johannes van Lochem als prior van het Sint Antoniusklooster in Albergen afscheid nam.
Op zich niets bijzonders. Het gebeurt nog bijna dagelijks dat ergens een prior om uiteenlopende redenen vertrekt.
Meestal was zo’n prior ook ‘chroniqueur’. Dat wil zeggen dat hij een dagboek over de gang van zaken bijhield. Van Lochem deed dat ook en hij verhaalt in het Latijn over zijn periode van 1520 – 1525 niet alleen over het reilen en zeilen in het klooster, maar werpt zo nu en dan ook een blik over de kloostermuren.
Dat het nabijgelegen Almelo in zijn blikveld verscheen, mag geen verwondering wekken.
Aan de basis van het klooster lag een schenking van de gebroeders Schulte. Zij schonken aan het begin van de vijftiende eeuw het erf Hobergen in de buurtschap Albergen aan de broeders van het gemene leven in het Sint Gregoriushuis in Zwolle. Dat werd in dank aangenomen en binnen de kortste keren hadden de broeders daar een slaapzaal, een keuken en een eetzaal en een gebedsruimte gebouwd. Jaren later kwam daar onder meer een smederij bij. In 1448 werd het klooster gewijd aan Sint Antonis en werd Walram van Moers als eerste prior benoemd. Het klooster beschikte toen al over 14 boerenhoeven, een huis en stukken land en nam zo snel in welvaart toe dat het uitgroeide tot het belangrijkste culturele en economische centrum van Twente. Het grootste mannenklooster ook van Twente.
Huize Almelo
Die ontwikkeling werd met lede ogen aangezien door de bewoners van Huize Almelo die zich in hun privileges bedreigd voelden. Een van die privileges betrof het zogenaamde wind – en waterrecht. Dat zorgde er voor dat alleen zij het recht hadden om molens te bouwen. Toen de leiding van het klooster besloot zelf een molen te bouwen, leidde dat tot een conflict dat eindigde met de bouw van een windwatermolen (poldermolen) en een rosmolen door de kloosterorde.
Die veranderende machtsverhouding blijkt in 1521 als Johannes van Lochem in maart van dat jaar bezoek ontvangt van een bode uit Almelo. Hij overhandigt de prior een brief van Katharina van Opijnen – bewoonster van Huize Almelo – waarin zij hem ‘nederig om verlof vraagt op de gewone plaats plaggen (turf) te mogen steken’. Bij afwezigheid van de Markerichter durft hij die toestemming niet te geven, ‘maar’ laat hij weten ‘als het alleen voor eigen gebruik is, zal ik doen alsof mijn neus bloed’.
Hij laat dat Katharina via de bode mondeling weten. Niets zwart op wit op papier. Maar hij bewaart wel haar brief tussen andere brieven. ‘Mocht het ooit nodig zijn, dan is die daar te vinden, als getuigenis tegen haar’.
Maarten Luther
Het zijn roerige tijden die ook niet onopgemerkt aan Overijssel voorbij gaan. Aanleiding is een gebeurtenis in datzelfde jaar. ‘Er is een zekere doctor, Maarten Luther genaamd, opgestaan, die met zijn geschriften bijna de hele wereld in beroering heeft gebracht’. De godsdienstoorlogen die een gevolg zijn, bereiken ook Overijssel uitmondend in een langdurige strijd tussen de ‘Geldersen’ van Hertog Karel van Gelre en de met hun verbonden ‘Zwolschen’ enerzijds en de Bisschop van Utrecht anderzijds.
Met regelmaat vielen de Geldersen Twente binnen, richtten veel verwoestingen aan. Met name Oldenzaal als belangrijkste stad in Twente kreeg het zwaar te verduren door de troepen van Karel.
Omdat het klooster goede contacten onderhield met de zusters van het convent van Catharina in Almelo, ontging het Johan ook niet dat die zusters het vaak zwaar te verduren kregen.’De devote zusters konden zich geenszins afschermen tegen de verzengende hitte van de algehele ellende, ja zij hadden vaak zelfs meer dan vele anderen te lijden’.
Ook Huize Almelo werd slachtoffer van de oorlogshandelingen. In die onzekere tijden was het verstandig geweest als de weduwe van graaf Adolph een verdedigingsgarnizoen op het huis gelegerd zou hebben, maar om op de kosten te besparen had zij daarvan afgezien. Daar kwam de Bisschop van Utrecht achter en om te voorkomen dat de Geldersen van Karel dat alsnog zouden doen, haalde hij een hoofdman en 30 trawanten op uit het garnizoen dat al in Oldenzaal aanwezig was en plaatste die in Huize Almelo. Dat huis was door zijn ligging bijzonder weerbaar en volgens Johan ‘een geschikt rovershol, omdat het gemakkelijk te versterken is en met weinig soldaten te behouden’.
Die ‘bezetting’ vormde het begin van veel ellende, niet alleen voor het huis maar ook voor de Almelose burgerij.
Rovershol
De ‘bewakers’ van het huis gingen aanvankelijk wel correct met de bewoners om, maar al gauw trokken ze in strooptochten langs de hutten van de omliggende boeren en pikten hun kippen, ganzen en eenden in. Daar bleef het niet bij. Zij wilden gewoon ongeremd kunnen schransen. Schapen en runderen werden hun volgende slachtoffers en daarnaast roofden zij vaak met geweld graan van de boeren. Zij deden wel de belofte dat als zij hun soldij zouden ontvangen, zij voor het geroofde zouden betalen. Loze beloften. Bij gebrek aan goede leiding joegen zij alles er binnen de kortste keren door.
Huize Almelo
Johannes constateert dat huize Almelo in die dagen meer van een rovershol had: ‘Zij ( de bezetters) gaven zeer veel uit door dagelijks prostituees en souteneurs bij zich uit te nodigen. Dat gaf hun een constante prikkel om weer op roof uit te gaan. Die oude snoepers en hoeren, die dagelijks met de soldaten aan het feesten waren, noemden hen ook de namen van de rijkste mensen en spoorden hen aan de ongelukkigen te plunderen’.
Als de soldaten geen geld hadden, weigerden de burgers hen wat te leveren. Dus zochten die lieden naar anderen mogelijkheden om aan middelen te komen. Zij beperkten zich niet meer tot de boeren als slachtoffer, maar troffen ook de zusters van het klooster in Almelo buitensporig hard.
Van Lochem: ‘Ze kwamen zowat dagelijks bij hen langs, vulden hun onverzadigbare buik met de levensmiddelen van de zusters en eisten met geweld ook hun vee op. Zij namen het beste rund en de trekos mee en aten die op’.
Voor de zusters vormde dat aanleiding om hun resterende vee naar afgelegen plaatsen te drijven en daar te slachten.
Omdat de soldaten nog steeds geen soldij kregen, zochten zij een andere inkomstenbron en vonden die in het oppakken van rijke boeren. Die dreigden zij te deporteren als zij niet met het geëiste over de brug kwamen. Op zich was het wel vreemd dat zo’n kleine groep soldaten iedereen zo bang kon maken. Ook de Vrouwe zelf stond bloot aan hun schaamteloos gedrag en had veel schade, smaad en onrecht te verduren. Vreemd genoeg spaarden de soldaten de gewone burgers in Almelo, waarschijnlijk uit een vorm van angst voor hen of uit medelijden omdat ze al zo arm waren.
Op dat medelijden kon het klooster in 1522 niet rekenen toen zij voor de tweede keer onder bedreigingen gedwongen werd 300 gulden bij te dragen in de uit te betalen soldij van de soldaten die vanuit Oldenzaal zoveel schade in de regio veroorzaakten. Als gevolg van hun strooptochten was het klooster ook min of meer tot armoede vervallen en kon die 300 gulden niet opbrengen. Vijfhonderd jaar geleden was dat ook een enorme som! Uiteindelijk slaagde Van Lochem erin in Coesfeld (D) een geldschieter te vinden. Die wilde echter alleen 400 gulden tegen een redelijke rente uitzetten. De prior ging akkoord, betaalde de 300 gulden aan het Oldenzaalse garnizoen en hield nog honderd over. Dat kwam mooi uit, want het zusterconvent in Almelo zat ook slecht bij kas. Tegen het rentetarief dat het klooster moest betalen, werd die honderd gulden in Almelo uitgezet.
Fraude in Almeloos klooster
Dat het Almelose zusterconvent slecht bij kas zat, had ook te maken met tegenslag in eigen gelederen. Daar was een zuster – die als integer en betrouwbaar werd geacht – de zorg voor de bakkerij toegewezen waardoor zij over de rogge voor het bakken van brood en mout voor het brouwen van bier kon beschikken.
kloosterbakkerij
Maar het bleek op een gegeven moment dat zij over langere tijd een deel daarvan achterover drukte en verkocht en dat geld opspaarde. In het geheim had zij zich voorgenomen uit het klooster te treden en dan zou zo’n spaarpotje goed van pas komen. Op een of andere manier werd de fraude ontdekt en werd zij door de oversten ernstig berispt. Maar zij kreeg een herkansing. Als zij al het geld terug zou geven, een gematigde boetedoening zou ondergaan, dan zou zij weer in genade worden aangenomen. Uiteraard met de toezegging dat zij het nooit meer zou doen. De frauduleuze zuster ontkende in alle toonaarden er van uitgaande dat niets bewezen kon worden. Dat hield zij een paar dagen vol en toen verdween Anna uit Schuttorf op een nacht stiekem uit het klooster. Zij had het kloosterkleed afgelegd en wereldlijke kleding aangedaan die zij van het verduisterde geld van tevoren had laten maken. Zij verdween zonder een spoor na te laten.
Het onafwendbare einde
Na het vertrek van Johannes van Lochem ging het met vallen en opstaan bergafwaarts met het klooster en was er een voortdurende strijd om inkomsten te generen. Met enige regelmaat werden bezittingen verkocht zoals de erven Klein– en Groot Getkate.
Groot Getkate (li) en Klein Getkate (r)
Die erven dateerden uit het midden van de vijftiende eeuw en lagen aan de Gravenallee (de Diek).
Uitgerekend Huize Almelo – ooit afhankelijk van gunsten van het klooster – werd spekkoper. De Van Rechteren’s beleenden de beide erven en gebruikten de opbrengst voor de renovatie van Huize Almelo.
Voor het klooster in Albergen was het uitstel van executie, want uiteindelijk kwam in 1721 het definitieve einde.
In verhouding tot de problemen in de Twentse regio, waren de interne problemen van het klooster ‘klein bier’. Johannes constateert dat er te snel werd gezongen, de kaarsen te lang branden, de handdoeken te vuil werden gemaakt, de mond boven de wasbak in de sacristie werd gespoeld en in de gootsteen en bij de buitendeur werd geplast en dat er toe werd gegeven ‘aan de lusten des vlezes’. Daar stelde hij regels tegen op en ‘wanneer iemand de euvele moed heeft gehad zich te verzetten, moet hij ook maar de straf ondergaan die in de statuten staan voorgeschreven’.
Tegenwoordig zouden wij zeggen: ‘Wie niet horen wil’, moet maar voelen!’ en daar is geen woord Latijn bij.
Voetnoot:
De Kroniek van Johannes van Lochem is eind vorige eeuw onder auspiciën van Heemkunde Albergen en de Twente Akademie van het Latijn naar het Nederlands vertaald. De 312 hoofdstukken (stukjes) zijn aangevuld met ruim 200 pagina’s aanvullende tekst als boek in 1995 uitgegeven.
De Stichting staat ingeschreven bij de K.v.K. onder nummer 41031148 - Privacyverklaring
Word donateur